Het Belastingoproer

H. van Heiningen

(bron: Tussen Maas en Waal, blz. 189 - 191)


 
In de kerstdagen van 1740 braken heel wat rivierdijken door en vooral het benedengebied van Maas en Waal werd in de eerste maanden van 1741 door zware overstromingen geteisterd. Er is mogelijk verband tussen deze ramp en het belastingoproer, dat in de daaropvolgende zomer veel stof doet opwaaien in Dreumel. er is van dit oproer wel een procesdossier bewaard gebleven *1 en daar uit blijkt, dat er in zoverre verwantschap is met het oproer van 1733, dat men ook nu in Dreumel weer probeert de inning van de belasting aan het dorpsbestuur over te laten.

Een van de belangrijkste oproerkraaiers is dan Jan van de Cop, die in enkele voorgaande jaren borg was toen de belasting op de consumptie door de buurmeesters werd gepacht voor 722 gulden - oftewel enkele guldens boven de minimumtaxatie. Dezelfde Jan van de Cop pacht in 1741 het besaai voor slechts 140 gulden, maar de belasting op de consumptie wordt dan door Herman Verheien afgemijnd op 775 gulden. Juist tegen deze Verheien en zijn medestanders, die door de bevolking als indringers worden beschouwd en ook nog niet-katholiek zijn, richt zich het oproer.

Het daarop volgend jaar worden deze indringers er kennelijk koste wat kost buiten gehouden, want dan mijnt Jan van de Cop, die nog maar net uit de gevangenis is ontslagen wegens zijn aandeel in het oproer, de consumptiebelasting af op 1385 gulden, terwijl de taxatie 1050 gulden was. In 1743 betaalt hij er zelfs 1485 gulden voor, maar daarna is deze Jan van de Cop nog ongeveer dertig jaar lang de man die belasting pacht voor bedragen welke niet sterk afwijken van de minimumtaxatie.

Dat alles wijst erop, dat die belastingverpachting vaak een onderonsje was en dat het voor de bevolking misschien toch nog voordeliger was als de buurmeesters de belasting enkele honderden guldens boven de taxe pachtten om daarmee vreemde belastingincasseerders buiten de kerspelgrenzen te houden. Uit de stukken blijkt ook duidelijk, dat het kwartierbestuur het de Dreumelse opstandelingen zeer euvel duidde, dat ze probeerden de belasting aan het dorp te houden.

De moeilijkheden ontstonden nu op 6 juli 1741, toen Herman Verheyen samen met Dries Verheyen, Hendrik van aken en jan van de Linden, die per 1 juli hadden gepacht, 's Morgens vroeg naar Dreumel gingen om bij de herbergiers te controleren hoeveel wijn en bier ze in de kelders hadden. zij hadden zich, zoals gebruikelijk was, bij de schout Crijn van de Cop gemeld, doch die deed nogal vervelend en weigerde mee te gaan. bij Dirk van Wiggen, de eerste herberg waar zij kwamen, werden ze al opgewacht door diverse mensen. Dat waren o.a. Francis van Wiggen oftewel de speelman, die allerlei opmerkingen hadden welke weinig goeds beloofden. daarom gingen twee van de controleurs nog eens naar het huis van de schout om diens assistentie te vragen, terwijl de anderen naar de herberg gingen van Hendrik Luypen, die behalve glazen en kannen ook hamer en aambeeld hanteerde.

De schout was niet thuis, doch men trof daar wel Jan van de Cop, die geroepen had "Keerels, wat doe je hier, waarom blijf je niet thuis". Uit angst voor de boeren hadden de pachters toen beloofd, zo getuigden ze later, er nog eens over te zullen praten.

Nadat ze bij den brouwer en bij Jan Theunisse Crielen de kelders hadden gevisiteert, waren de pachters terechtgekomen bij Francis de Speelman. Daar werden ze door woedende boeren omsingeld en van hun paarden getrokken. Ondanks een beroep op hem greep de schout, die erbij stond, niet in en daarop hadden de pachters hun revolvers getrokken en een van de dragonders (infanterist) een kogel in het lichaam geschoten.

Toen greep de schout wl in. Hij arresteerde de pachter van der Linden en sloot die op in de opkamer van de herberg, terwijl de twee Verheyens en Van Aken door de dragonders met de blanke sabel op de vlucht werden gejaagd naar Heerewaarden. Er waren bij dit alles enkele klappen gevallen en drie vrouwen hadden de vluchtende pachters nageroepen: "Schelmen, komt niet weer hier off se sullen U kapot maken". Enkele inwoners van Dreumel hadden jan van der Linden een briefje laten tekenen waarin hij de schuld op zich nam en daarna was hij vrij gelaten.

Nog dezelfde dag schreven de pachters een brief aan de gedeputeerden in Nijmegen. die de zaak op 8 juli in de kwartiersdag brachten. die reageerden als in 1733. Men vond, dat "deese feytelijke en geweldadige ondernemminge sijn tendeerende tot een notoire kleynagting en villependie van de Hooge Regeering" en dat fors opgetreden diende te qworden omdat het oproer zich opnieuw afspeelde in Maas en Waal.

De pachters kregen daarom vanuit Tiel een sergeant en twaalf manschappen mee en er werd vanuit Nijmegen een officier met 30 dragonders naar Dreumel gestuurd om de daar huizende soldaten op te halen en als gevangene af te leveren aan de provoost. De ambtman van Maas en Waal werd voorts gelast de schuldigen op te sporen en tegen hen te procederen.

Weldra verhuizen verschillende inwoners van Dreumel naar de gevangenis in het kasteel van Druten en worden er door de ambtman en zijn mederechters een groot aantal getuigen gehoord. Op 8 november zaten daar nog gevangen: Jan van de Cop, Cornelis Aalders de Cooijman, Crijn Aalders de Cooijman, Francis van Wiggen en Gerrit Cornelis de Cooijman, en die schrijven via ambtman Otto Roeleman Frederik van de Bylandt een verzoek om "tot compositie te mogen komen" - d.w.z. om via geldboeten lijfstraffen te mogen ontgaan.
Op 15 november 1741 besluit de kwartiersdag dan inderdaad om "in dit singelier geval en sonder enige consequentie deese saak te verklaren voor composibel", doch de gevangenen zouden niet mogen worden losgelaten alvorens ze - behalve uiterard de kosten voor hun verpleging - ten genoege van het kwartierbestuur alle kosten van justitie, een boete en een schadevergoeding aan de pachters hadden betaald.

Deze afkoopsommen worden eerst in de vergadering van 8 juni 1742 vastgesteld. Het vijftal moet als vergoeding voor de gemaakte onkosten 1407 gulden betalen, aan de advocaat-fiscaal voor diens kosten 250 gulden en aan de ambtman een boete van 600 gulden. Hare Edele Moogenden voegen aan dit besluit toe "waarschuwende opgemelte inwoonderen en alle anderen hen in het toecoomende voor diergelijcke feitelijcke disordres te wagten, met verklaringe, dat niet weder voor composible verklaart, maar de pligtigen anderen ten exempel, crimineel en corporeel gestraft sullen worden."

De inwoners van Maas en Waal hadden door deze processen waarschijnlijk de schrik te pakken gekregen. Want enkele jaren later, toen naar aanleiding van de pachtersoproeren in Amsterdam en elders in bijna alle provincies de belastingverpachtingen werden afgeschaft, ontstonder er in de neder-Betuwe forse belasting oproeren, die met militairen onderdrukt moesten worden. Ook in Horssen en Maasbommel weigerden de inwoners aangifte te doen aan de pachters, doch toen was een boze brief van het kwartierbestuur voldoende om hen tot de orde te roepen. Maar ook in de Neder-Betuwe bereikten de oproerkraaiers hun doel niet. In Gelre bleven de belastingverpachtingen gehandhaafd tot de zogenaamde ranse Tijd, die in 1795 begon. 

*1 (Oud-rechterlijk archief Maas en Waal, doss. 10)